Intieme innovatie veel te intiem om bloot te geven aan de markt
Dr. Pieter Lemmens is filosoof en bioloog. Hij vindt het belangrijk dat we ons afvragen wat voor mensen we willen worden.
De techniek dringt steeds verder door in ons alledaagse bestaan en nestelt zich steeds dieper in de meest intieme sferen van ons leven, aldus het Rathenau Instituut. Ze dringt zich in onze lichamen, in onze psychen, in onze sociale relaties, in de opvoeding van onze kinderen, enz. Die kolonisering van onze intimiteit door de ‘extimiteit’ van de techniek wordt door velen ervaren als unheimlich en dat is bepaald niet onterecht.
Als we echter kijken naar de geschiedenis van de mens en naar de evolutie van de menselijke soort dan moeten we constateren dat de mens een organisme is dat zich wezenlijk kenmerkt door intieme relaties met technologie, en wel vanaf zijn oorsprong. De mens is altijd intiem geweest met technologie en de menselijke organen kunnen niet los worden gedacht van de technische organen waardoor ze permanent worden omringd en waarmee ze voortdurend nauwe relaties onderhouden.
Afstammen van stenen
Het is zelfs zo dat de mens het effect is van technische innovatie. Volgens de Franse filosoof Bernard Stiegler is de mens ontsprongen aan een proces van technische exteriorisering, dat wil zeggen de veruitwendiging van ervaringen in technische objecten. Lichaam en geest van de mens zijn het resultaat van een langdurige en intieme evolutionaire interactie met technologie. Zo zijn onze grote hersenen het gevolg van een eeuwenlange omgang met steeds geavanceerdere stenen werktuigen. Techniek heeft zich van meet af aan ingeschreven in onze neurale structuren en we zouden met Peter Sloterdijk dan ook kunnen stellen dat de mens niet van de apen afstamt maar van stenen.
Onze innerlijkheid bestaat slechts bij de gratie van een technische exterioriteit en dit is altijd al zo geweest. Zo is het autonome bewustzijn dat momenteel zijn autonomie dreigt te verliezen temidden van het digitale multimediale geweld van de kennis- en beleveniseconomie in feite het effect van de boekdrukkunst en is de hele westerse cultuur van de innerlijkheid slechts mogelijk geworden dankzij de uitvinding van de geheugentechniek van het schrift.
Techniek als indringer
Ook deze techniek is ooit ervaren als een vreemde indringer die de ziel zou corrumperen. Denk maar aan de kritiek van Plato op de dode letters van het schrift die het levende geheugen van de mens zouden aantasten en ondermijnen. En zoals Michel Foucault heeft opgemerkt waren de notitieboeken die ten tijde van het Romeinse rijk in zwang kwamen net zo verstorend voor het sociale leven als in onze tijd de introductie van computers. Desalniettemin fungeerden ze vanaf een bepaald moment als de cruciale instrumenten in de vorming en cultivering van het zelf, dat wil zeggen als de eminente ‘zelftechnieken’ van de homo humanus.
Elke nieuwe techniek veroorzaakt in eerste instantie altijd vervreemding en heteronomie en is als zodanig unheimlich. Ze destabiliseert en desoriënteert bestaande praktijken en instituties die gebaseerd zijn op oudere technieken. Maar ze maakt ook steeds een nieuwe vorm van leven mogelijk: nieuwe sociale relaties, nieuwe vrijheidspraktijken, nieuwe vormen van autonomie en ‘Heimlichkeit’. Dit veronderstelt echter wel dat nieuwe technieken expliciet worden toegeëigend, zowel individueel als collectief.
Permanente innovatie
Dit valt in onze razendsnelle tijd van permanente innovatie en short-term kapitalisme niet mee. De technologische innovatie lijkt ons steeds meer te overrompelen. Onze relatie tot de techniek wordt daardoor steeds adaptiever en dat kan niet de bedoeling zijn. Zeker niet wanneer we beseffen wat er op het spel staat met de opkomst van al die ‘intieme technologieën’ die beloven de condities van ons mens-zijn radicaal te zullen veranderen.
Hoe meer we de ontwikkeling daarvan zullen laten overlaten aan de markt, zoals nu gebeurt, hoe minder invloed we daarop zullen hebben. Daarom is het noodzakelijk om ons nadrukkelijk te verzetten tegen de vulgaire Darwinistische retoriek van een overheid die ‘innovatie’ uitsluitend ziet in termen van economische competitie en haar in plaats daarvan te beschouwen in het licht van de veel wezenlijkere en veel nobelere vraag: wat voor soort mens willen wij in de toekomst worden? Anders gezegd deze vraag is veel te belangrijk om uit te leveren aan het roekeloze winstbejag waar de huidige ‘economie’ steeds meer op neer lijkt te komen.
Dr. Pieter Lemmens is filosoof en bioloog. Hij promoveerde in 2008 op een proefschrift over de impact van nieuwe technologieën op de menselijke conditie. Momenteel is hij als post-doc researcher verbonden aan Wageningen Universiteit en als docent filosofie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.


